Verkiezingen!

Nog een kleine week en dan mag u uw burgerplicht alweer vervullen. Maar waarschijnlijk heeft u nog geen idee voor wie u gaat stemmen. En we moeten daar eerlijk in zijn: de politici maken het u niet makkelijk door voortdurend uitspraken te doen en die vervolgens in te trekken, te zeggen dat ze het zo niet bedoeld hebben of te ontkennen dat ze dat ooit gezegd hebben. En als ze dat nu nog niet doen, zullen ze het op 27 mei wel doen. Daardoor wordt het moeilijk om te weten wat nu precies het thema van deze verkiezingen is en hoe de verschillende partijen daar tegenover staan.

Daarom, speciaal voor u, een overzichtje van wat de partijen zelf de belangrijke thema’s vinden, welke uitspraken ze daarover gedaan hebben en wat ze daar precies mee bedoelen.

“Ik ben kandidaat premier.” – Jan Jambon

Betekenis: Ik ben helemaal geen kandidaat premier. Dat interesseert mij en mijn partij niet. Maar die Walen moeten niet denken dat ze zomaar weer de eerste minister krijgen en wij zijn nu eenmaal de grootste partij in Vlaanderen dus iemand moest kandidaat zijn. En laten we wel wezen: zo veel andere kandidaten hebben we nu ook niet lopen.

“Ik ben kandidaat minister-president.” – Bart De Wever

Betekenis: En als je dat niet gelooft, maak ik je iets anders wijs. Natuurlijk ben ik helemaal geen kandidaat voor dat postje. Ik ben al burgemeester en voorzitter en dat zou ik allemaal opgeven voor de 16? Ik denk het niet. Maar we willen graag onderwijs en nog wat andere serieuze departementen en dan kan je maar beter eerst de hoogste post opeisen zodat je sterker staat bij de onderhandelingen. Dan mag iemand anders uithangbord spelen en wij zullen het regeerprogramma wel opstellen. Bovendien word je als minister-president geacht een beetje boven het gewoel te staan en ik weet dat ik het toch niet kan laten om mijn coalitiepartners regelmatig eens een veeg uit de pan te geven in de pers.

“Hilde is kandidaat minister-president” – Wouter Beke

Betekenis: Hilde wil heel graag onderwijs maar de kans zit er dik in dat we er naast gaan pakken. Dus zetten we wat hoger in. Maar eigenlijk willen we helemaal geen minister-president. De laatste twee die we op die plaats gehad hebben, waren Leterme en Peeters. Om maar te zeggen dat onze ervaringen niet helemaal positief zijn. Nee, laat ons maar rustig in de luwte zitten. Als we er weer bij zijn, zijn wij al lang tevreden.

“Ik ben kandidaat premier.” – Gwendolyn Rutten

Betekenis: Ik weet ook wel dat dat een volslagen hopeloze zaak is, maar als alle andere partijen ineens een kandidaat premier of minister-president hebben, wil ik er ook eentje. En Alexander wou niet. Zijn vader wel, maar dat mocht van mij dan weer niet. Dus dan moet ik het maar zelf doen, zoals altijd. Je bent een doener of je bent het niet. En je weet nooit dat het nog een paar stemmen oplevert van vrouwen die per se eens een vrouwelijke eerste minister willen. We zullen ze kunnen gebruiken want zoals het er nu naar uit ziet, zal ik al blij zijn als we ons ergens kunnen in een of andere regering wringen.

“Ik ben geen kandidaat premier.” – Kristof Calvo

Betekenis: Natuurlijk ben ik wel kandidaat premier. Als ik dat kan meepakken, ga ik het zeker niet laten. Maar het zou zeer onverstandig zijn om dat nu te zeggen. De Walen moeten denken dat een stem voor Ecolo zal zorgen voor een Waalse eerste minister en de Vlamingen moeten denken dat een stem voor Groen zal zorgen voor euh … een Waalse eerste minister, denk ik. Iedereen zal wel liever een Waal in de 16 zien dan mij. Of iemand van een andere partij. Of iemand anders van mijn partij. Enfin, ik weet ook wel dat ik niet de populairste jongen ben maar hoe mooi zou het niet zijn als ik dan toch premier kan worden!

“…” – John Crombez

Betekenis: Laat mij eens gerust, mannekes. Ik heb zo al genoeg aan mijn hoofd zonder dat gezaag over eerste ministers en zo. Daarbij: het is niet dat we iets te kiezen gaan hebben. Vlaams is er zo goed als geen kans dat we in de regering geraken en federaal nemen we wel wat de PS wil geven. Als we ooit zo ver geraken.

Veel succes zondag!

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Factcheck: NMBS

Het is in deze verkiezingstijden niet echt ongebruikelijk om eens een factcheck te doen. Meestal gaat het dan over een uitspraak van een of andere kandidaat of niet-kandidaat voor het premier- of minister-presidentschap. Tenzij het de keizer van Antwerpen betreft, dan wordt alles aangenomen als betrof het het evangelie zelve. Maar passons. Daar gaat het hier niet over.

Waar het dan wel over gaat? Welnu: over de klachten die elke pendelaar (of occasionele klanten) van onze Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen wel eens heeft en (VAAK IN DRUKLETTERS) uit via sociale en andere media. De vraag is: kloppen die klachten wel? Vandaar dus: een factcheck van de meest gehoorde klachten over de dienstverlening van ons openbaar vervoer. Want dat is nodig. Of op zijn minst wenselijk. En anders doe ik het toch.

1 Mijn trein is te laat

Klopt niet. Uw trein is helemaal niet te laat. Er scheelt gewoon iets aan uw perceptie van de tijdstippen die op de website, de app, de borden in de stations en op de perrons aangegeven worden. U gaat er zomaar van uit dat dit de vertrektijden van de treinen zijn. Maar heeft uw mama u nooit geleerd dat u niet alles moet geloven dat u leest? Het betreft hier immers louter indicatieve tijdstippen. Het betekent eigenlijk: “Deze trein zal ergens binnen het half uur na dit tijdstip vertrekken”. Dat kan ook sneller dan dat half uur zijn. Maar het hoeft niet. Het is een beetje als reclame voor een auto waarop vermeld staat “vanaf 18.553 euro”. Dan denkt u toch ook niet dat u een garage binnenstapt en voor die prijs een auto aanschaft? Neen, want u wil er allerhande snufjes bij, zoals ramen en een radio en een vloermatje. En dan loopt de prijs op. Zo is het ook met vertrektijden. In theorie zou het kunnen dat dat uur gerespecteerd wordt, maar in de praktijk zijn er altijd factoren die er voor zorgen dat dat niet zo is, zoals mooi weer, slecht weer, regenweer, wind, sneeuw, spoorlopers, geen spoorlopers waar er wel verwacht werden, kabeldiefstal of een diamantroof op Zaventem (bij de laatste ga ik er van uit dat de machinist van uw trein hierbij betrokken was en dus zonder zijn werkgever in te lichten niet meer komt werken). En zoals u bij die auto niet kan zeggen dat u opgelicht bent, kan u ook niet zeggen dat uw trein te laat is. Uw verwachtingen waren gewoon onrealistisch.

Overigens zal de NMBS wel zijn uiterste best doen om de indicatieve vertrektijd te respecteren indien u een overstap moet maken. Met dien verstande dat dit enkel geldt voor de tweede trein die u moet halen. Uw eerste trein zal de indicatieve tijd dan helaas niet halen, maar u kan niet alles hebben.

2 Mijn trein is te kort

Klopt niet. Een trein is per definitie nooit te kort. Zoekt u de definitie van een trein maar eens op. Staat daar een standaardlengte of een aantal wagons (laat staan zitplaatsen) bij? Natuurlijk niet. Hoe kan een trein dan te kort zijn? Natuurlijk is de ene trein korter dan de andere. Dat is bij mensen ook zo. Of bij films. Als zo’n film dan heel kort is, noemen we het gewoon een kortfilm. Doe dat bij treinen ook eens: als u, nog voor uw eerste tas koffie, een trein van drie wagons het station ziet binnenrijden in plaats van de gebruikelijke dubbeldekker van 12 stellen, denk dan gewoon: “Hé, een korttrein!”. Dat klinkt sympathiek en er is geen enkele reden om er over te klagen: het is een vaststelling, een feit.

Overigens is het wel mogelijk dat er te veel reizigers op de trein zitten, staan, liggen, tussen deuren geklemd hangen of op een andere wijze de ruimte innemen waarvan u verwacht had dat u ze zich zou kunnen toeëigenen. Geef toe: als u het zo bekijkt, klinkt dat toch een tikkeltje zelfzuchtig, niet? Bovendien is dit niet de schuld van de NMBS maar van de reizigers. Die zijn met te veel. Een trein kan er niet plots wat extra ruimte uitpersen omdat pendelaars allemaal graag om acht uur in Brussel zijn. Een trein is op dat vlak behoorlijk stug, enige flexibilteit is hem volkomen vreemd. De mens daarentegen wordt steevast geroemd om zijn vermogen om zich aan te passen. Welnu: pas u dan ook aan. Neem een andere trein, ga te voet (niet langs de sporen, tenzij u daar verwacht wordt, zie hierboven) of ga terug naar bed en probeer morgen opnieuw.

3 De NMBS informeert mij niet

Onzin natuurlijk. De NMBS informeert u wel. Er is een app, er is een website, er zijn aankondigingen in het station, er hangen borden in het station en op de perrons en u kan ook steeds iets vragen aan het personeel of het socialemediateam. Geen communicatie, waar haalt u het in hemelsnaam? “Ja maar”, werpt de lokale slimmerik nu op, “die informatie klopt helemaal niet! Meer zelfs: ze is vaak tegenstrijdig!”. En dat is juist. Maar waarom zou dat een probleem zijn? Het is inderdaad perfect mogelijk dat een trein in het station aangekondigd staat met vijf minuten vertraging (geen echte vertraging, zie 1) terwijl de app daar 35 minuten van maakt en hij volgens de website afgeschaft is (niet echt afgeschaft, zie 4). En dat hij desondanks al deze meldingen perfect op tijd het station binnen rijdt en binnen de vijftien seconden weer vertrekt. Er stond toch niemand om op te stappen. Maar ligt dat aan de NMBS? Vraag uzelf eens even af wat de belangrijkste uitdaging is voor het onderwijs in dit informatietijdperk. Juist: kinderen aanleren hoe ze feiten van ‘fake news’ kunnen onderscheiden. Wat de NMBS hier dus doet is niets meer of minder dan volksverheffing: zij leren u spelenderwijs dat verschil kennen en maken zo van u een kritisch denkende burger. Een beter mens, zou ik zelfs durven zeggen.

4 Mijn trein is afgeschaft

Alweer: fout, fout, fout. Meestal toch. Volgens Van Dale is de definitie van afschaffen “buiten gebruik stellen”. Is uw trein buiten gebruik gesteld? Dat is helemaal niet zeker. Er zijn tal van mogelijkheden: de trein wijkt dermate af van het indicatieve tijdsschema dat de NMBS beslist heeft een tiental stations over te slaan bijvoorbeeld. Of de machinist is niet komen opdagen omdat hij deelgenomen heeft aan een zeer lucratieve diamantroof op Zaventem. Uw trein is dan niet buiten gebruik gesteld. Dat u hem niet zal zien verschijnen en hem derhalve ook niet kan gebruiken om de door u geplande reisweg af te leggen, doet daar niets aan af. De kritisch denkende mens in u heeft intussen opgemerkt dat de tweede zin van dit stukje het woord ‘meestal’ bevat. En inderdaad: soms wordt een trein inderdaad afgeschaft. Maar er rijden vandaag nog zo weinig treinstellen van voor de Tweede Wereldoorlog rond dat dit toch een zeer uitzonderlijke situatie mag genoemd worden. Bovendien weet u dat helemaal niet. Als een collega een keertje niet komt opdagen op het werk, zegt u toch ook niet meteen dat hij wel dood zal zijn? Waarom gaat u daar bij een trein dan wel van uit? U kan dus nooit met zekerheid zeggen dat uw trein afgeschaft is. Wat u wel kan zeggen is: “Mijn trein rijdt niet.” Maar dan klinkt u als een verzuurde stakingbreker dus het is nog beter gewoon te zwijgen en de volgende trein te nemen.

5 Conclusie

Er is geen enkele reden om te klagen over de NMBS en zijn dienstverlening. Het zit allemaal in uw hoofd en u heeft gewoon ongelijk en bent te koppig om dit toe te geven. Enige zelfreflectie dringt zich toch wel op. Zullen we afspreken dat u daar dit weekend eens werk van maakt en volgende week gewoon ophoudt met dat geklaag en die mensen van de NMBS gewoon hun werk niet laat doen? Daar worden we allemaal gelukkiger van.

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Mijlpalen

Iedereen kent ze wel: die uiterst belangrijke, toekomstbepalende momenten in een mensenleven die men gemeenzaam wel eens “mijlpalen” noemt. Ofwel heeft u er zelf al enkele meegemaakt, ofwel heeft u vrienden en kennissen er uitentreuren over horen vertellen. Want aan elke mijlpaal hangt een verhaal vast en dat verhaal verdient het om verteld te worden. Het zal de toehoorder immers een dieper inzicht bieden in de psyche en de drijfveren van de gemijlpaalde.

Wat daarbij opvalt, is dat de hoofdfiguur in deze verhalen steevast de verteller zelf is. Blijkbaar is een mijlpaal alleen relevant als men er zelf de oorzaak van is. De eerste keer dat ik huppeldepup, toen ik x bezocht, mijn ontmoeting met die illustere persoon, … Ik, ik, ik. De mijlpaal is een egocentrisch gegeven.

Om wat tegengas te geven, volgt hier dan ook een beperkt overzicht van de mijlpalen in mijn leven die ik aan andere personen te danken heb, meer bepaald aan mijn kinderen.

In de eerste plaats: het opstaan. Dat is normaal gezien het eerste dat een mens elke dag doet. De ene dag gebeurt dit al wat vroeger dan de andere, tenzij men een woning deelt met kleine kinderen. Die worden immers elke dag op hetzelfde uur wakker, meestal ergens tussen half vijf en zes uur ’s ochtends (behalve op schooldagen, dan zijn ze om half acht amper wakker te krijgen). Nu weet ik niet wat u doet als u bent opgestaan, maar het is vast iets als ontbijten, koffie drinken, douchen of de krant lezen. Kleine kinderen doen die dingen niet. Kleine kinderen voelen een urgente noodzaak om aan iemand mee te delen dat ze wakker zijn. Meestal gebeurt dit door het luidkeels gillen van de woorden “PAPA, IK BEN WAKKER!”, die liefst in het oor van de aangesprokene gebruld worden nadat ze muisstil de slaapkamer van hun verwekker zijn binnengeslopen. Om maar te zeggen: aangenaam is anders. Maar toen kwam de dag waarop ik spontaan wakker werd om een uur of zeven. Op een zaterdag. Verdwaasd en lichtjes ongerust keek ik om me heen, enkel om vast te stellen dat er niets te zien was. Ik twijfelde eventjes tussen nog wat blijven liggen en toch maar eens gaan kijken wat de oorzaak van de onheilspellende stilte op de bovenverdieping van onze woning was. Ik opteerde uiteindelijk voor het tweede. Na een korte blik op het bed van de jongste (dat was leeg) sloop ik behoedzaam de trap af en opende de deur van de woonkamer. En wat ik daar zag ontroerde me tot tranen toe: daar zat hij dan. De tv op Ketnet, de vloer bezaaid met auto’s en de zetel en zijn pyjama met cornflakes en fruitsap. Maar alleen. Helemaal alleen. Ik zou eindelijk weer kunnen uitslapen.

Minstens even belangrijk en nog veel mooier was het moment waarop de kleinste eindelijk een levensbelangrijke vaardigheid had verworven: het schoonvegen van zijn eigen kont. Gedaan met voorovergebukt over hem heen te staan, de neus recht boven het resultaat van zijn eerste persing. Hij nog wat nahijgend van de inspanning, ikzelf de adem angstvallig inhoudend. Mensen zonder kinderen kunnen zich dit allicht niet voorstellen, maar het besef dat je voor de allerlaatste keer de kreet “Ik heb gedaahaan!” uit het kleinste kamertje hebt horen komen, zorgt voor een onbeschrijflijk geluksgevoel.

Een beetje in dezelfde sfeer zit het snuiten van de neus. Men komt daarbij van ver: tijdens de eerste maanden wordt de neus gereinigd door er eerst fysiologisch water in te druppelen. Al is druppelen niet meteen het goede woord. Dat probeer je wel, maar er komt niks uit dat flesje tot je er net hard genoeg op drukt om een stevige straal in de mond, ogen en andere onderdelen van het gezicht van je baby te spuiten zodat hij overal kletsnat is behalve in zijn neus. En dan mag je aan de slag met de neuspeer, een onding dat niet zou misstaan hebben in de doorsnee middeleeuwse kerker. Je zit intussen met een krijsende kleine die verwoed het hoofd schudt. Maar als je enige ervaring hebt met houdgrepen, lukt het je uiteindelijk wel een massa snot ter grootte van het hoofd van kwestieuze baby in de peer te zuigen. En vervolgens mag je die dan weer gaan schoonmaken. Pret verzekerd. Nee, dan ben je een tijdje later beter af: dan moet je je kind enkel nog een zakdoek voorhouden. Dat kind stopt zijn neus er in, blaast loeihard en beweegt het hoofd daarbij net genoeg om alles aan je handen te smeren. Om maar te zeggen: het uitzicht van op de top van de Kilimanjaro is waarschijnlijk mooi, maar verzinkt in het niets bij de schoonheid van de aanblik van een kind dat naar de doos Kleenex stapt, er een zakdoek uit haalt en zijn eigen hand bezoedelt.

Een laatste dan nog: de overstap naar het eerste leerjaar. Niet omdat ze daar zo veel leren, al wil ik het belang van lezen, schrijven en rekenen nu ook niet onderschatten. En ook niet omdat ze dan “groot” worden, dat is helemaal niet zo. De kans is zelfs vrij aanzienlijk dat ze amper langer zijn dan twee maand eerder toen ze nog in de kleuterklas zaten. Het is zelfs niet omdat je ze ziet openbloeien door de nieuwe ervaringen, doordat je ze ziet evolueren van een spelend naar een lerend mensen of doordat ze zo’n sprongen maken in hun ontwikkeling. Het is het huiswerk. “Papa, gaan we met de auto’s spelen?”, “Papa, gaan we voetballen?”, “Papa, ga je een boekje voorlezen?”, “Papa, mag ik helpen met die nieuwe keukenkraan te plaatsen?”, “Papa, wanneer eten we?”: allemaal vragen waar je tot dan niet echt een pasklaar antwoord op had. Of toch geen dat je van enkele minuten welverdiende rust kon voorzien na een lange en uitputtende arbeidsdag. Zodra ze in het eerste leerjaar zitten, antwoord je gewoon met “Maak jij maar eerst eens je huiswerk.”

Oh ja: en de geboortes waren ook wel tof.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

FIN

‘Maar allez, zeg nu zelf: ‘Fin’, dat is toch geen titel? Wat moet ik daar nu in godsnaam over schrijven?’

  • Sjoe, ge doet er mee wat ge wilt. Voor mijn part schrijft ge iets over Kimi Räikkönen, dat is ook een Fin. Maar gij wou per se Franse les gaan volgen, dan moet ge mij er ’s avonds niet mee lastig vallen. Het is voor mij ook een vermoeiende dag geweest.

Nee, op enig medeleven, laat staan hulp, van Dirk moet ze niet rekenen. Het is al na half elf, en die taak voor haar avondschool Frans moet voor middernacht ingediend worden. Ze is nog maar een half uurtje thuis, voor een keer net op tijd om de kinderen nog even te zien voor die gingen slapen. En in plaats van met een glas wijn nog even neer te ploffen in de zetel, kan ze beginnen schrijven. Maar goed: met al die inwijkelingen uit Brussel en die nieuwe Belgen die zelfs tot in het verre West-Vlaanderen neerstrijken, kan ze maar beter maken dat ze tegen de volgende verkiezingen op zijn minst een beetje begrijpt wat die Nederlandsonkundige dompelaars haar allemaal willen vertellen op de wekelijkse markt. Je wil tenslotte geen potentiële kiezers tegen de borst stoten door met de glimlach bevestigend te antwoorden op de vraag of je vindt dat de vraagsteller beter zou opkrassen naar zijn land van herkomst, liefst vergezeld van zijn lieftallig kroost en zijn 47 echtgenotes. Ook al vind je dat eigenlijk wel. De partijconsignes zijn duidelijk: geen openlijke tekenen van vreemdelingenhaat, tenzij tegenover groepen die toch geen stemrecht hebben.

Downdaten, heet dat tegenwoordig. Maar zij en haar vrienden noemden het toen gewoon ‘losers poepen’. Het was allemaal begonnen met Veerle, die na een uitstapje naar Leuven geen zin had om op de eerste trein te wachten en op het kot van een eerstejaars criminologie was blijven slapen. En nadien was het een wedstrijdje geworden: hoe lager hoe beter.

Ze had hem gezien op de kerstmarkt in haar geboortedorp toen ze daar nog even langs liep op weg naar het station na een weekendje bij haar ouders. Kleren wassen zichzelf niet, dus af en toe moest ze er eens aan geloven. Hij stond aan een kraampje jenever te hijsen alsof het pompwater was en ze voelde hoe zijn blik goedkeurend langs haar lichaam gleed. Een winnaar, dat zag ze meteen. Daar nog onder duiken zou voor de andere rechtensletjes een stevige opgave worden. Het bleek uiteindelijk minder makkelijk dan ze verwacht had om hem mee te krijgen, maar uiteindelijk sukkelden ze toch de laatste trein richting Gent op. Samen. Om vervolgens in het holst van de nacht in Brussel te stranden omdat hij meteen na het vertrek van de trein in slaap was gedonderd en ze hem met geen stokken meer wakker kreeg. Na een eeuwig durende vijf uur in het Zuidstation, waarbij hij om de haverklap indommelde op het ijzeren bankje waar ze zaten te wachten, had hij haar verdorie in Gent nog alleen laten afstappen ook. Met de woorden ‘Het zal niet voor deze keer zijn, sjoe. Ik moet gaan doppen.’

Haar winnaarsmentaliteit had haar de das om gedaan. Ze moest en zou hem hebben. Ook al betekende dat een aantal extra weekends thuis, waarbij ze elke vrijdag- en zaterdagavond de lokale horeca afstruinde op zoek naar de dekstier die haar de zege zou opleveren. En haar geduld en hardnekkigheid werden beloond: een maand later zag ze hem aan de toog van het marginaalste café van Tielt zitten. Ze stapte op hem af, gaf hem een klets in zijn gezicht en zei: ‘Ik geloof normaal niet in tweede kansen, maatje, maar voor een keer ga ik een uitzondering maken. Maar het is wel nu of nooit.’

Hij had haar twee seconden verbijsterd aangekeken, zijn pint leeg gedronken en haar vervolgens mee naar buiten getrokken. Niet, zoals zij verwacht had, naar het station voor een nachtje op haar kot, maar naar zijn studio, die twee huizen verder bleek te liggen. Niet zo tof, vond ze: ze speelde liever thuismatchen. Maar goed, een mens moet er iets voor over hebben. Datzelfde had ze gedacht toen bleek dat hij niet in condooms geloofde. Helaas.

Haar ouders waren furieus geweest. De dochter van meneer doktoor, een veelbelovende rechtenstudente met onbegrensde mogelijkheden, die zich liet bezwangeren door een werkloze marginaal. Als haar vader niet zo’n fanatieke katholiek geweest was, had hij haar waarschijnlijk hoogstpersoonlijk en onverdoofd geaborteerd. Maar uiteindelijk bleek er maar een oplossing aanvaardbaar: trouwen. En wel nu meteen. Dirk was direct akkoord gegaan: hij had er altijd al van gedroomd later rustig te kunnen rentenieren, en met het geld van zijn aanstaande schoonvader kon die droom veertig jaar vroeger in vervulling gaan dan hij verwacht had. En ook zij had moeten plooien: het was dat of stoppen met studeren. Want zonder de centen van papa ging dat niet meer lukken. Nu kon ze tenminste een sabbatjaar nemen en nadien doen alsof er niets gebeurd was, terwijl haar moeder voor de kleine zorgde. Ze had zelfs haar kot mogen houden, zodat ze tijdens de week gewoon haar gangen kon gaan. Maar veilig, dat wel. Had Dirk het allemaal geweten, hij had haar dood geslagen. Met de hulp van haar vader zelfs. Gelukkig was de ene te stom om te helpen donderen en de andere te naïef om iets verdorvens in zijn dochter te zien.

Ze zal het zelf wel klaren. Hij heeft enkel nog gezegd: ‘Hilde, maak mij wakker als ge gaat slapen want het is donderdag.’ en is vervolgens binnen de vijf seconden in slaap gevallen in de zetel. Dat kan hij nog steeds heel goed. En het is inderdaad donderdag. Sinds dat belachelijke idee van Jo Vandeurzen had hij besloten dat er dan gevreeën moest worden. Ze had Vandeurzen er wel om kunnen wurgen, maar aangezien ze coalitiepartners waren, zou dat de val van de regering veroorzaakt hebben en dat mag voorlopig niet van de voorzitter. Op donderdag is zijn stamcafé, waar hij op andere dagen gaat zitten wachten tot de school van de kinderen uit is, gesloten en dan gaat hij een straat verder een pintje drinken. Helaas is de waardin daar iets minder geneigd de wet op de beteugeling van de openbare dronkenschap strikt toe te passen en komt hij steevast straalbezopen thuis. Hij vindt immers dat er tussen half negen en half vier niet genoeg tijd ligt om de halve kilometer tot hun huis twee keer af te leggen en er zijn blijkbaar zelfs bij een doorgewinterde alcoholieker grenzen aan de hoeveelheden bier die een lijf kan verwerken. Misschien laat ze hem beter een paar uur slapen voor ze er aan beginnen, want hoe zatter hij is, hoe langer het duurt.

Maar goed. Fin. Einde. Wat kan een mens daar in godsnaam over schrijven?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Fantasie

‘Mag er nog op de ouderlijke verantwoordelijkheid worden gewezen?’

Met die woorden legde Bart De Wever, het filosofisch orakel van Deurne en omstreken, de schuld voor het overlijden van de tweejarige Mawda bij haar ouders. Ongehoord platvloers, volgens velen. Volkomen terecht, volgens vele anderen.

Er valt natuurlijk iets voor te zeggen, voor die ouderlijke verantwoordelijkheid. In zekere zin ben je als ouder verantwoordelijk voor alles wat je kind overkomt. En je voelt het in elk geval zo aan. Ook de ouders van Mawda, mijnheer De Wever. Of het nodig is dan nog wat zout in de wonde te gaan strooien, dat is weer een andere zaak.

Als je kind op weg naar school overreden wordt met de fiets, moeten we volgens de redenering van de burgemeester van Antwerpen zeggen dat je eigen schuld is. Jij hebt dat kind immers met de fiets de straat op gestuurd. De West-Vlaamse kindertjes die deze week een voedselvergifting opliepen op school: wie denkt u dat die school gekozen heeft? Als uw kind later een seriemoordenaar wordt, dan is dat uw schuld. U heeft die mens immers op de wereld gezet.

Elke ouder neemt voortdurend beslissingen voor zijn kind. Elke dag opnieuw. En sommige van die keuzes zullen achteraf onverstandig blijken te zijn. Dat is onvermijdelijk. Maar die beslissingen worden wel genomen met het belang van het kind voor ogen. Want als ouder wil je het beste voor je kind en daarop baseer je je keuzes. Vaak draait dat goed uit. Soms niet. Dat is het leven nu eenmaal. Mensen die net hun kind verloren hebben er op wijzen dat dit aan hun keuzes te wijten is, is dus een open deur intrappen. Maar bovenal is het van een ranzigheid die men niet verwacht van onze politieke leiders. Ik ging er van uit dat er nog een restje menselijkheid school in de voorzitter van de grootste Vlaamse partij. I stand corrected.

Maar erger dan de uitspraak op zich is het enthousiasme waarmee een aanzienlijk deel van de Vlamingen zich opnieuw achter de boodschap van de Grote Leider schaart. Niet enkel bij zijn aanhang en die van het VB, ook behoorlijk wat kiezers van de traditionele partijen laten verstaan dat de man gewoon gelijk heeft. Niet omdat ze het per se met hem eens zijn, maar omdat het nu eenmaal om vluchtelingen gaat. U weet wel: die mensen die onze normen en waarden onder druk komen zetten.

Veel landgenoten koesteren blijkbaar een intense heimwee naar eenvoudiger tijden. Nu ja, heimwee … Laten we het maar fantasie noemen. Want dat is het: fantasie is heimwee naar onbestaande tijden. Vlaanderen, België, Europa, is nooit een eenvoudige samenleving geweest. Onze normen, onze waarden, onze cultuur: ze hebben nooit bestaan. Er is altijd een grote diversiteit geweest in onze samenleving, alleen niet in kleurtjes. Of denkt u werkelijk dat een middeleeuws keuterboertje zijn normen, waarden en cultuur deelde met de grootgrondbezitter van wie hij zijn land pachtte? Denkt u werkelijk dat, ten tijde van de industrialisering, de fabrieksarbeider veel gemeen had met zijn werkgever? Waarschijnlijk hadden ze minder gemeen dan u en de doorsnee vluchteling. En dezelfde taal spraken ze ook al niet.

Het romantische idee van een eenvormige maatschappij met allemaal gelijke mensen, is op niets gebaseerd. Ze heeft nooit bestaan en zal ook nooit bestaan. Maar dat zal de heer De Wever worst wezen. Zo lang het geloof erin blijft voortleven, kan hij er garen bij spinnen. En als hij daarvoor eens wat mensen moet schofferen die net hun kind verloren hebben, is dat slechts een klein prijsje voor het hogere doel: de macht.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Amerika neemt drastische maatregelen tegen high school shootings

Als reactie op de zoveelste slachtpartij op een Amerikaanse school heeft het Witte Huis laten weten dat het er voor wil zorgen dat dit nooit meer kan gebeuren. Het was woordvoerster Sarah Huckabee Sanders die de pers toesprak, de president zelf was verhinderd door een dringende golfwedstrijd.

Sanders verklaarde dat Donald Trump zeer begaan was met de slachtoffers en dan ook meteen maatregelen wilde uitvaardigen. ‘De enige manier om deze golf van misbruik van wat in se zeer nuttige verdedigingswapens zijn in te dijken, is er voor te zorgen dat deze onmogelijk nog op onze scholen terecht komen. Daarom heeft de president besloten met onmiddellijke ingang alle middelbare scholen en hogere opleidingsinstellingen zoals universiteiten, te sluiten. Dit is de enige manier om de veiligheid van de Amerikaanse jeugd met honderd procent zekerheid te garanderen.’

Sanders zei ook nog dat de sluiting van kleuter- en lagere scholen op dit moment niet aan de orde is, maar dat een task force in het leven zal geroepen worden om te bekijken in hoeverre kinderen al in deze instituten radicaliseren tot personen die mogelijk later oneigenlijk gebruik van wapens zouden maken. ‘Als mocht blijken dat het nodig is, zal president Trump niet aarzelen ook daar de gepaste restricties op te leggen.’

Voor de leerkrachten en het ondersteunend personeel die hun baan verliezen, wordt nog naar een oplossing gezocht. Mogelijk zou een gedeelte van hen aan de slag kunnen als schietinstructeur in de ‘opleidingscentra voor zelfverdediging’ waarvan de oprichting eveneens vandaag aangekondigd werd. De overigen zouden volgens Sanders ‘een essentiële bijdrage kunnen leveren aan de afslanking van het moddervette overheidsapparaat door niet meer betaald te worden’.

Donald Trump reageerde met een serie tweets waarin hij de maatregel als ‘absoluut noodzakelijk’ bestempelt en het voorstel van de Democraten om de wapenwetgeving ernstig te verstrengen disproportioneel noemt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Fietsminister

Het stond onlangs weer eens in de krant: we fietsen niet genoeg. Of toch niet voor onze dagelijkse verplaatsingen. Op zondagnamiddag wel, dan hijsen we ons met zijn allen in een veel te klein lycra pakje en wanen ons Peter Sagan. Maar als we naar het werk, de winkel, school of zoiets gaan, nemen we liever de auto, ook al gaat het maar over een paar honderd meter. Dat dat moet veranderen, mag duidelijk zijn. In Aalst duurt het spitsuur tegenwoordig van zeven tot elf en van drie tot zeven. En dan is er echt geen doorkomen aan.

Iemand moet maar eens het goede voorbeeld geven. En wie is daarvoor beter geschikt dan onze dames en heren politici? Om maar eens hoog genoeg te beginnen: onze ministers en staatssecretarissen en dan in de eerste plaats de heer Ben Weyts, in zijn hoedanigheid van minister van mobiliteit. Dan volgen de parlementsleden en de lokale bestuurders vanzelf wel.

Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier niet over de obligate deelname aan zoiets belachelijks als de Gordel. Dat zet geen zoden aan de dijk. Neen, dames en heren, gebruik uw fiets (als u die niet heeft, mag u er gerust eentje kopen: dat is goed voor de economie) ook eens voor uw woon-werkverkeer. En niet een keertje als symbolische daad. Elke dag. Het zal u goed doen. En als u te ver woont: er bestaat ook zoiets als het openbaar vervoer. Daar moet u zich niet te goed voor voelen.

Nu weet ik dat er enkele praktische bezwaren zullen zijn die onze politici meteen zullen opwerpen. Redenen waarom de rest van België wel het stalen ros van stal moet halen maar zij niet. Daarom dacht ik: ik zet de meest waarschijnlijke zelf wel even op een rijtje. Met tegenargumenten.

‘Wij werken in onze auto, mijn beste.’

Eerst en vooral: werken moet je op kantoor doen. Maar als u daar niet klaar geraakt: op de trein lukt dat ook best. De eersteklassenwagons zijn zo goed als altijd leeg. En het is niet dat u tegenwoordig nog met tonnen papier moet zitten hannesen: een laptop zal wel volstaan en die past netjes op het tafeltje. Dat is dus geen excuus.

‘Mijn kostuum/mantelpak gaat nat worden. En vuil.’

Dat klopt. Gedeeltelijk. Mijn broek wordt ook nat als ik ’s ochtends naar het station fiets. En dan? Tegen dat ik op het werk ben, is die weer droog. Bovendien bestaan er heel goede regencape’s die u zo goed als droog op uw bestemming brengen. Investeer daar eens in, desnoods op kosten van de belastingbetaler. Het is vast een stuk goedkoper dan uw auto. En voor noodgevallen kan u steeds wat reservekleding op kantoor leggen. Vraag trouwens maar eens aan Frank Deboosere hoe vaak het hier nu eigenlijk regent. Dat valt best mee.

‘Wij vergaderen tot heel laat ’s avonds en dan is er geen openbaar vervoer meer.’

Klopt ook. En wiens schuld is dat, denkt u? U heeft in deze twee mogelijkheden: ofwel zorgt u er voor dat er wel een enigszins degelijk openbaar vervoer is buiten de spitsuren. Ofwel, en dat is veruit de beste optie, stopt u met die nachtelijke vergaderingen. Wie is er hier eigenlijk minister? Als u zegt dat het gedaan is, is het toch gedaan zeker? We zien mekaar morgenochtend om acht uur terug. Bovendien zijn die nachtelijke vergaderingen contraproductief. Voor u het weet komt u om vier uur ’s nachts triomfantelijk naar buiten met iets als het Zomerakkoord, waarvan de helft zo wazig is dat iedereen er iets anders in leest en de andere helft al na een paar maand compleet onuitvoerbaar blijkt. Daar schieten we ook niks mee op. Niet meer doen dus.

‘Ik fiets niet graag.’

Tja. Ik ook niet. Mijn kinderen ook niet. Mijn vrouw … Nou ja, die wel. Maar we doen het toch. Omdat het snel, praktisch, ecologisch en noem maar op is. En ondanks het feit dat het vaak koud, soms bloedheet, regelmatig nat en heel erg vaak onveilig is. Dat laatste is voor u natuurlijk ook vervelend, maar u kan er tenminste iets aan doen. Ik niet, ik heb het maar te ondergaan.

‘Wij moeten ’s avonds vaak nog naar de andere kant van het land voor een bijeenkomst.’

Doe dat dan niet. Wat gaat u daar eigenlijk doen? Een beetje speechen voor gelijkgestemden, wat handjes schudden, een paar Duvels achterover klokken (niet vergeten een rondje te betalen) en dan tegen middernacht naar huis. Vraagt u zich zelf nooit af wat daar nu eigenlijk de zin van is? Die mensen die daar zitten stemmen toch al voor uw partij. En voor u persoonlijk kunnen ze toch niet stemmen. Ga eens gewoon naar huis na uw werk. Naar uw gezin. Uw kinderen gaan niet weten wat hen overkomt. Lees eens een verhaaltje voor, vraag hoe het op school was. Ik beloof dat ik het u niet kwalijk zal nemen. En als u toch eens een keertje ergens heen moet, carpool dan met enkele collega’s. Het zal misschien wat planning vergen, ook van de organisatoren, maar dat moet toch lukken? En rij dan liefst samen met coalitiepartners van een andere partij. Misschien kan u dan uw meningsverschillen in de auto uitpraten in plaats van de in de pers of het parlement te ventileren. Coherent beleid, daar worden we in principe allemaal beter van.

Concluderend: er is eigenlijk geen enkele deftige reden om het niet te doen. De volgende keer dat ik door de Wetstraat passeer, verwacht ik aardig wat fietsen tegen de gevels van de ministeries en de parlementen te zien staan. En anders stem ik volgend jaar voor de sossen!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized