FIN

‘Maar allez, zeg nu zelf: ‘Fin’, dat is toch geen titel? Wat moet ik daar nu in godsnaam over schrijven?’

  • Sjoe, ge doet er mee wat ge wilt. Voor mijn part schrijft ge iets over Kimi Räikkönen, dat is ook een Fin. Maar gij wou per se Franse les gaan volgen, dan moet ge mij er ’s avonds niet mee lastig vallen. Het is voor mij ook een vermoeiende dag geweest.

Nee, op enig medeleven, laat staan hulp, van Dirk moet ze niet rekenen. Het is al na half elf, en die taak voor haar avondschool Frans moet voor middernacht ingediend worden. Ze is nog maar een half uurtje thuis, voor een keer net op tijd om de kinderen nog even te zien voor die gingen slapen. En in plaats van met een glas wijn nog even neer te ploffen in de zetel, kan ze beginnen schrijven. Maar goed: met al die inwijkelingen uit Brussel en die nieuwe Belgen die zelfs tot in het verre West-Vlaanderen neerstrijken, kan ze maar beter maken dat ze tegen de volgende verkiezingen op zijn minst een beetje begrijpt wat die Nederlandsonkundige dompelaars haar allemaal willen vertellen op de wekelijkse markt. Je wil tenslotte geen potentiële kiezers tegen de borst stoten door met de glimlach bevestigend te antwoorden op de vraag of je vindt dat de vraagsteller beter zou opkrassen naar zijn land van herkomst, liefst vergezeld van zijn lieftallig kroost en zijn 47 echtgenotes. Ook al vind je dat eigenlijk wel. De partijconsignes zijn duidelijk: geen openlijke tekenen van vreemdelingenhaat, tenzij tegenover groepen die toch geen stemrecht hebben.

Downdaten, heet dat tegenwoordig. Maar zij en haar vrienden noemden het toen gewoon ‘losers poepen’. Het was allemaal begonnen met Veerle, die na een uitstapje naar Leuven geen zin had om op de eerste trein te wachten en op het kot van een eerstejaars criminologie was blijven slapen. En nadien was het een wedstrijdje geworden: hoe lager hoe beter.

Ze had hem gezien op de kerstmarkt in haar geboortedorp toen ze daar nog even langs liep op weg naar het station na een weekendje bij haar ouders. Kleren wassen zichzelf niet, dus af en toe moest ze er eens aan geloven. Hij stond aan een kraampje jenever te hijsen alsof het pompwater was en ze voelde hoe zijn blik goedkeurend langs haar lichaam gleed. Een winnaar, dat zag ze meteen. Daar nog onder duiken zou voor de andere rechtensletjes een stevige opgave worden. Het bleek uiteindelijk minder makkelijk dan ze verwacht had om hem mee te krijgen, maar uiteindelijk sukkelden ze toch de laatste trein richting Gent op. Samen. Om vervolgens in het holst van de nacht in Brussel te stranden omdat hij meteen na het vertrek van de trein in slaap was gedonderd en ze hem met geen stokken meer wakker kreeg. Na een eeuwig durende vijf uur in het Zuidstation, waarbij hij om de haverklap indommelde op het ijzeren bankje waar ze zaten te wachten, had hij haar verdorie in Gent nog alleen laten afstappen ook. Met de woorden ‘Het zal niet voor deze keer zijn, sjoe. Ik moet gaan doppen.’

Haar winnaarsmentaliteit had haar de das om gedaan. Ze moest en zou hem hebben. Ook al betekende dat een aantal extra weekends thuis, waarbij ze elke vrijdag- en zaterdagavond de lokale horeca afstruinde op zoek naar de dekstier die haar de zege zou opleveren. En haar geduld en hardnekkigheid werden beloond: een maand later zag ze hem aan de toog van het marginaalste café van Tielt zitten. Ze stapte op hem af, gaf hem een klets in zijn gezicht en zei: ‘Ik geloof normaal niet in tweede kansen, maatje, maar voor een keer ga ik een uitzondering maken. Maar het is wel nu of nooit.’

Hij had haar twee seconden verbijsterd aangekeken, zijn pint leeg gedronken en haar vervolgens mee naar buiten getrokken. Niet, zoals zij verwacht had, naar het station voor een nachtje op haar kot, maar naar zijn studio, die twee huizen verder bleek te liggen. Niet zo tof, vond ze: ze speelde liever thuismatchen. Maar goed, een mens moet er iets voor over hebben. Datzelfde had ze gedacht toen bleek dat hij niet in condooms geloofde. Helaas.

Haar ouders waren furieus geweest. De dochter van meneer doktoor, een veelbelovende rechtenstudente met onbegrensde mogelijkheden, die zich liet bezwangeren door een werkloze marginaal. Als haar vader niet zo’n fanatieke katholiek geweest was, had hij haar waarschijnlijk hoogstpersoonlijk en onverdoofd geaborteerd. Maar uiteindelijk bleek er maar een oplossing aanvaardbaar: trouwen. En wel nu meteen. Dirk was direct akkoord gegaan: hij had er altijd al van gedroomd later rustig te kunnen rentenieren, en met het geld van zijn aanstaande schoonvader kon die droom veertig jaar vroeger in vervulling gaan dan hij verwacht had. En ook zij had moeten plooien: het was dat of stoppen met studeren. Want zonder de centen van papa ging dat niet meer lukken. Nu kon ze tenminste een sabbatjaar nemen en nadien doen alsof er niets gebeurd was, terwijl haar moeder voor de kleine zorgde. Ze had zelfs haar kot mogen houden, zodat ze tijdens de week gewoon haar gangen kon gaan. Maar veilig, dat wel. Had Dirk het allemaal geweten, hij had haar dood geslagen. Met de hulp van haar vader zelfs. Gelukkig was de ene te stom om te helpen donderen en de andere te naïef om iets verdorvens in zijn dochter te zien.

Ze zal het zelf wel klaren. Hij heeft enkel nog gezegd: ‘Hilde, maak mij wakker als ge gaat slapen want het is donderdag.’ en is vervolgens binnen de vijf seconden in slaap gevallen in de zetel. Dat kan hij nog steeds heel goed. En het is inderdaad donderdag. Sinds dat belachelijke idee van Jo Vandeurzen had hij besloten dat er dan gevreeën moest worden. Ze had Vandeurzen er wel om kunnen wurgen, maar aangezien ze coalitiepartners waren, zou dat de val van de regering veroorzaakt hebben en dat mag voorlopig niet van de voorzitter. Op donderdag is zijn stamcafé, waar hij op andere dagen gaat zitten wachten tot de school van de kinderen uit is, gesloten en dan gaat hij een straat verder een pintje drinken. Helaas is de waardin daar iets minder geneigd de wet op de beteugeling van de openbare dronkenschap strikt toe te passen en komt hij steevast straalbezopen thuis. Hij vindt immers dat er tussen half negen en half vier niet genoeg tijd ligt om de halve kilometer tot hun huis twee keer af te leggen en er zijn blijkbaar zelfs bij een doorgewinterde alcoholieker grenzen aan de hoeveelheden bier die een lijf kan verwerken. Misschien laat ze hem beter een paar uur slapen voor ze er aan beginnen, want hoe zatter hij is, hoe langer het duurt.

Maar goed. Fin. Einde. Wat kan een mens daar in godsnaam over schrijven?

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s